ik dacht de dag dat jij een beetje stierf vergeet ik niet een jaar later rolde ik samen met het koekjesdeeg de dag gewillig voor me uit en zag pas vandaag dat het gisteren was
ze lachte
eer zij kwam passeerden er velen gedwee ik op de bank van rimpels zij jeugdig op haar fiets ze lachte en ik verrast terug ze klaarde niet alleen de mist in m'n blik ze nam zelfs de wolken mee
warm en week
naar het schijnt mag je niet achterwaarts liken je mag niet te ver teruggaan in de tijd nochtans word ik warm en week als ik aan ons terugdenk vroeger in onze zotheid
zout en zoet
vorig jaar reisden we naar het Zuiden fier stapelde je ons hebben en houwen als doosjes gevouwen in de koffer van onze automaat nu zakken we ook af van boven naar beneden toch enkele treden en lepel je schoteltjes voor zout en zoet de kommetjes van ons gemoed netjes in de vaat
toch
als ik verweesd achterblijf voel ik me verlaten toch wiegt ze me in haar wilgenarmen troost ze me fluisterend met haar bladerdak kust ze m'n blik met haar plassen als gevallen tranen bemoedert ze me en voel ik me gedragen tot ik weer kan aarden
nergens heen
ik wou dat ik je tuin was dan hoefde ik nergens heen dan was ik al waar jij thuis bent want jouw tuin is overal zei je me eens
in ons eigen verhaal
we zijn mensen geworden die mekaar leren vergeven dat we soms in ons eigen verhaal niet meer weten waar we zijn gebleven
de man met het zand
wanneer de armen van de nacht me lossen word ik het plafondmeisje dan kijk ik zwart voor me uit en wacht op de man met het zand die in m'n hoofd alles dempt geruis en gefluit
tot ik ze zie
er zijn geen uren ik moet de deur niet uit bij 't ontbijt blijf ik turen tot ik ze zie de wolken in m'n koffie
spijt
wanneer je in de schaduw zit van een berg spijt zie je niet meer wanneer de zon voor je schijnt
