wat niet van haar is

daar gaat ze
in de verte
en verdwijnt
achter het begin
van wat niet eindigt
ze wuift weg
wat niet van haar is
verlicht kijkt ze uit
naar zonder gemis

als op mijn vraag

de sneeuw bedekt
laag na laag
geur en kleur
als op mijn vraag
dempt ze traag
elk geluid
zacht neuriënd
lokken de vlokken
dwarrelend
op hun wiegelied
en spreiden
een bed van watte
voor me uit

smal denken

soms schuil ik
in kieren en spleten
en hoop ik dat
smal denken
zal helpen tegen
grote golven van
breed voelen
die overspoelen

een beetje stierf

ik dacht
de dag
dat jij
een beetje stierf
vergeet ik niet
een jaar later
rolde ik
samen met het koekjesdeeg
de dag
gewillig
voor me uit
en zag pas vandaag
dat het gisteren was

ze lachte

eer zij kwam
passeerden er velen gedwee
ik op de bank van rimpels
zij jeugdig op haar fiets
ze lachte
en ik verrast terug
ze klaarde niet alleen
de mist in m'n blik
ze nam zelfs
de wolken mee

warm en week

naar het schijnt
mag je niet
achterwaarts liken
je mag niet te ver
teruggaan in de tijd
nochtans word ik
warm en week
als ik aan ons terugdenk
vroeger in onze zotheid

zout en zoet

vorig jaar reisden we
naar het Zuiden
fier stapelde je
ons hebben en houwen
als doosjes gevouwen
in de koffer
van onze automaat
nu zakken we ook af
van boven naar beneden
toch enkele treden
en lepel je schoteltjes
voor zout en zoet
de kommetjes
van ons gemoed
netjes in de vaat

toch

als ik verweesd
achterblijf
voel ik me verlaten
toch wiegt ze me
in haar wilgenarmen
troost ze me fluisterend
met haar bladerdak
kust ze m'n blik
met haar plassen
als gevallen tranen
bemoedert ze me en
voel ik me gedragen
tot ik weer kan aarden