dat het pijpenstelen giet deert me niet daar waar ik ben is alles goed en wel niemand hoeft iets te veranderen ik ben aan het woordwandelen
eindelijk voldaan
opgejaagd duw ik de tijd in wijzerzin weerspannig voor me uit in de hoop jou eerder te zien en eindelijk voldaan in het moment te kunnen stilstaan
tot ik je zie
ik wacht je op terwijl je er al bent na al die tijd voel je nabij en toch onbekend tot ik je zie warm ik me aan m'n koffie
klein
om jou te ontmoeten in je krimpende wereld maak ik me zo klein dat ik door het kattenluikje pas
voorgoed
zijn wij het huis waar ik voorgoed in kan wonen
al wat ons lief is
breng hier die wijn na een tocht door de woestijn dan spoelen we het zand tussen onze kiezen en proberen te vergeten dat we al wat ons lief is kunnen verliezen
onwennig en schuw
wanneer ik dagen in huis heb gesleten de trap op en neer mijn woon-werk verkeer mezelf dan uiteindelijk onwennig en schuw die drempel over duw blijf ik in het deurgat staan en zie mezelf aarzelend gaan een acteur zonder script knipperend tegen zonlicht
bij het begin
entelechie Grieks voor het doel in zich dragend wat al bij het begin tot wasdom kan komen zoals de vlinder in de rups of de missie in de mens als hij niet zo dom was zich door z’n streven naar intelligentie te laten afleiden
wat niet van haar is
daar gaat ze in de verte en verdwijnt achter het begin van wat niet eindigt ze wuift weg wat niet van haar is verlicht kijkt ze uit naar zonder gemis
verdekt staande
het is zo'n ochtend waarop ik hoop met elke veeg de bedding van weggetikte uren laag na laag te vullen de donkere rand van m'n kijk op de dingen met wat kleur te verhullen zo hou ik me verdekt staande terwijl ik alleen maar wil gaan liggen
