dan zal ik misschien

ik draai je
in m'n mond
om en om
en denk
aan het verleden
toen ik heb gemeden
je uit te spreken
zoals een oester
haar parel koestert
draai ik je
in m'n mond
om en om
en denk
aan morgen
dan zal ik misschien
en zo blijf jij
in m'n stilte
verborgen
liefste zoetemien

licht

de woonboot
voor herstel gehuld
in een doorschijnend zeil
op een nachtelijke Leie
gloeit als een glimworm
de klassieke muziek
neemt me mee
weg van een karwei 
van alledag 
naar hoe het ook zijn kan 
licht zonder festival

ze lachte

eer zij kwam
passeerden er velen gedwee
ik op de bank van rimpels
zij jeugdig op haar fiets
ze lachte
en ik verrast terug
ze klaarde niet alleen
de mist in m'n blik
ze nam zelfs
de wolken mee

warm en week

naar het schijnt
mag je niet
achterwaarts liken
je mag niet te ver
teruggaan in de tijd
nochtans word ik
warm en week
als ik aan ons terugdenk
vroeger in onze zotheid

zout en zoet

vorig jaar reisden we
naar het Zuiden
fier stapelde je
ons hebben en houwen
als doosjes gevouwen
in de koffer
van onze automaat
nu zakken we ook af
van boven naar beneden
toch enkele treden
en lepel je schoteltjes
voor zout en zoet
de kommetjes
van ons gemoed
netjes in de vaat

toch

als ik verweesd
achterblijf
voel ik me verlaten
toch wiegt ze me
in haar wilgenarmen
troost ze me fluisterend
met haar bladerdak
kust ze m'n blik
met haar plassen
als gevallen tranen
bemoedert ze me en
voel ik me gedragen
tot ik weer kan aarden

nergens heen

ik wou
dat ik je tuin was
dan hoefde ik
nergens heen
dan was ik al
waar jij thuis bent
want jouw tuin
is overal
zei je me eens

kartonnen doos

fragiel
als een frangipane
rondborstig
als een boule
licht
als een éclair
hoekig
als een carré confiture
passen wij vier
al jaren
in onze kartonnen doos

de man met het zand

wanneer de armen
van de nacht
me lossen
word ik het plafondmeisje
dan kijk ik zwart
voor me uit
en wacht op de man
met het zand
die in m'n hoofd
alles dempt
geruis en gefluit